Het voelde ongemakkelijk en kwetsbaar. Een colbert met kant mocht aanblijven. En de hakjes. De blote benen maakten me erg zelfbewust. Was dit handig? Juist daar waar ik onzeker over ben zo prominent op doek? “Gewoon gaan zitten,” zei hij.
Een avondwandeling na een zonovergoten, productieve dag. Ik hou ervan. Lange tijd gebruikte ik de vroege ochtend voor dit moment, maar deze zomer, met een nieuwe werkplek en de lange, zwoele dagen, is het de avond waarin ik de natuur opzoek. Af- of opladen, al naar gelang de behoefte.
De muren van maïs zijn inmiddels groter dan ik. Goudgele graanvelden, omringd door bloemenmengsels en bermen vol varens voelen als een levend naslagwerk van Natuurmonumenten. In mijn eigen tempo en dat is zeker geen slenterend voortschrijden, volg ik zoveel mogelijk groen en wijk ik uit als bebouwing zich aandient.
Op een van deze avonden liep ik achter het landgoed Westate, een plek waar al vele herinneringen liggen en de ontwikkeling van jaren intensief ontwerpen en creëren vaste vorm heeft gekregen. Ik passeerde een veld koren dat in het heiige zonlicht leek te ademen. Aan de bosrand verscheen een scharlakenrood plukje klaprozen. Een klein geluksmomentje.
Ik bedacht me onmiddellijk dit pracht mee te nemen en naast het bed op de vaas te zetten. Wakker worden met een blik op verse bloemen is bijna evenzoveel geluk als in de armen van een geliefde. Klaprozen staan echter niet zo graag in een laagje leidingwater, wist ik. Beelden van een gedekte tafel, servetten, champagne en een vleugje rood borrelden op. Een moment maken van wat zich aandient. Daar ben ik goed in, heb ik geleerd. Zoals een van mijn favoriete quotes zegt: “Arrange whatever pieces come your way.” (Virginia Woolf 1882-1941)
Hoe fijn, bedacht ik me, als we morgenavond een zomerse risotto gaan eten op het land. Ik wist al precies hoe dit plaatje er uit zou zien. Het tafelkleed dat ik op de brocante markt vond tijdens een favoriet uitje met een vriendin. De linnen servetten, het kristallen wijnkoelertje. Welke champagne zou ik uitkiezen?
Het beeld bleef hangen in mijn hoofd. De volgende ochtend wierp ik snel een blik in de schuur. Lag de gesneuvelde Foscarini-lamp er nog? Zou het met een kruiwagen over het land kunnen? Het weekend kwam eraan, warm en stralend. Ik ging aan de slag. Het momentum moest worden gevangen. De ingrediënten waren aanwezig of ingekocht. Alleen de sterke armen van een man, liefst mijn partner, ontbraken nog om het geheel te realiseren. Met frisse tegenzin hielp hij mee, en toen kon het genieten beginnen.
Voor zulke momenten lijk ik gemaakt. Het arrangeren van wat er is, het aanvullen waar nodig, tot een esthetisch en harmonieus geheel. Zo werk ik ook in mijn ontwerpen. Beginnen bij wat er is. Een locatie, een bestaand fundament. Samen met de opdrachtgever verweven tot een tijdloos concept dat kan groeien. Het vangen van een momentum dat bestendig is en blijft.
Het voelde ongemakkelijk en kwetsbaar. Een colbert met kant mocht aanblijven. En de hakjes. De blote benen maakten me erg zelfbewust. Was dit handig? Juist daar waar ik onzeker over ben zo prominent op doek? “Gewoon gaan zitten,” zei hij.